DSM-IV
(uitleg) criteria
Stoornis in de lichaamsbeleving (300.7)
A. Preoccupatie met een vermeende onvolkomenheid van het
uiterlijk.
Indien er een geringe lichamelijke
afwijking aanwezig is, dan is de
ongerustheid van betrokkene duidelijk overdreven.
B. De preoccupatie veroorzaakt in significante mate lijden of
beperkingen in het sociaal of beroepsmatig
functioneren of het
functioneren op andere belangrijke terreinen.
C. De preoccupatie is niet eerder toe te schrijven aan een
andere
psychische stoornis (bijvoorbeeld
ontevredenheid over de lichaamsvorm
en omvang bij anorexia nervosa).
Veel adolescenten zijn een tijd lang heel ontevreden met hun uiterlijk
of met specifieke uiterlijke kenmerken. Soms zijn zij er, zoals bij
verstoorde lichaamsbeleving doorgaans het geval is, van overtuigd dat
ook andere mensen de afwijking zien. Deze klachten hebben echter zelden
klinische betekenis. Ook adolescenten en jonge volwassenen, die vragen
om een plastisch
chirurgische ingreep, blijken in beginsel een realistische visie te
hebben op hun voorkomen en kunnen psychologisch als gezond beschouwd
worden [Simis, Verhulst en Koot, 2001].
Gegevens over de prevalentie van de stoornis van de lichaamsbeleving
bij kinderen en adolescenten zijn niet aanwezig. Casuïstische
beschrijvingen zijn schaars [Braddock, 1982; Thomas, 1984]. Mogelijk
wordt de
diagnose, ook
in een psychiatrische setting, niet gesteld
omdat adolescenten zelden spontaan melding maken van de klachten
[Grant, Kim en Crow, 2001]. Voor een beschrijving van de state of the
art op het gebied van de Stoornis in de lichaamsbeleving bij
volwassenen wordt de lezer verwezen naar een recente publicatie van
Cororve en Gleaves [2001].
Bron: SOMATOFORME STOORNISSEN, Ph.D.A. Treffers
Uitleg DSM
De DSM, een classificatie voor psychische stoornissen, is ontwikkeld
onder verantwoordelijkheid van de American Psychiatric Association. In
juni 1994 verscheen de vierde editie (DSM-IV), in 2001 verscheen een
tekstrevisie (DSM-IV-TR). De DSM is ontwikkeld voor gebruik bij met
name onderzoek. Door internationaal dezelfde criteria af te spreken
voor psychiatrische aandoeningen wordt onderzoek en communicatie
duidelijker en betrouwbaarder.
De DSM is dus een classificatiesysteem, een soort internationaal
etiketsysteem. Helaas gebruiken steeds meer behandelaars het als een
diagnose-systeem. In feite hoort de behandelaar eerst een
(beschrijvende) diagnose te stellen en zou dan pas moeten classificeren
volgens de DSM.
De DSM-IV bestaat uit vijf assen:
As 1 Klinische stoornis (bijv. depressie)
As 2 Persoonlijkheidsstoornissen (bijv.
afhankelijke persoonlijkheidsstoornis)
As 3 lichamelijke aandoeningen (relevant
voor het begrijpen of behandelen van een psychische stoornis) (bijv.
migraine)
As 4 Psychosociale en omgevingsfactoren
(bijv. scheiding, werkeloosheid )
As 5 Algehele beoordeling van het
functioneren (Global Assement of Functioning Scale, GAF) uitgedrukt op
een
schaal van 0 tot 100
Bron: hulpgids.nl